Historisch

Rozenburg

Ontstaan van de polders Oud Rozenburg en Blankenburg

In de eerste helft van de 16de eeuw was het Maasgebied tussen het eiland Voorne en de Maasdijk vanaf Vlaardingen tot aan de duinen bij ’s Gravenzande één grote watervlakte met verschillende ondiepten, gorzen en banken die bij lage waterstand droog kwamen te liggen. Een van de banken die zich bij Hoek van Holland gevormd had, werd ‘die Dary’ genoemd en werd doorsneden door een vaargeul naar zee die het Nieuwe Gat heette, ter onderscheiding van een meer zuidelijke vaargeul, de latere Brielse- of Oude Maas, die het Oude Gat genoemd werd.

Deze Darybank sloot zich al spoedig bij het vasteland van Zuid-Holland aan en verkreeg in de loop der jaren een brede en ruige duinformatie die zich, nadat het genoemde Nieuwe Gat zich weer gesloten had, uitstrekte tot aan het Oude Gat. 
Deze gevormde kuststrook werd later de Beer genoemd en is afgebeeld op een kaart van Delfland, getekend door de geograaf Floris Balthazarsz in 1611. 
Ook een latere kaart van Delfland, getekend door Kruikius (Cruquius) in 1712 (en 1750) geeft een groot gedeelte van deze punt bij Hoek van Holland te zien. De duinformatie wordt op deze laatste kaart het Spanjaardsduin genoemd en de daarachter gevormde aanslibbing de Beer. 
De namen Beer en Dary hebben overeenkomende geologische betekenis en duiden op de bodemgesteldheid ter plaatse: klei op laagveen.

Op de kaart van Kruikius is ook te zien hoe de aanslibbing zich aan de zuidzijde van de Maasdijk heeft voortgezet tot voor Vlaardingen toe en voor een deel bedijkt. 
In de jaren 1866 tot 1872 werd het bovenomschreven punt van Hoek van Holland met Spanjaardsduin en de Beer van het vasteland gescheiden door de aanleg van de Nieuwe Waterweg en werd deze punt de westelijke begrenzing van het eiland Rozenburg.

Ongeveer in dezelfde tijd dat de Darybank bij Hoek van Holland ontstond, vormden zich enkele platen beneden Vlaardingen en Maassluis die de kern werden van het latere poldergebied Oud Rozenburg, Blankenburg en de Ruige Plaat. Eerstgenoemde twee gebieden waren oorspronkelijk van elkaar gescheiden door het Sparregat; het laatste was nog klein en van Blankenburg gescheiden door een breed stuk van de Maasvlakte. Dat blijkt uit een kaart van Blankenburg en de Ruige Plaat, in 1612 getekend door Floris Jacobsz.

Pioniers van Oud Rozenburg waren de Vlaardingse vogelaars Dirck Adriaensz en Pieter Dircksz Bisdommer, vader en zoon. Voor Blankenburg is als pionier te noemen de Vlaming Willem Pietersz Moerman. De Bisdommers verkregen bij akte van 18 april 1586 concessie van de Rekenkamer der Staten van Holland en West-Friesland, waarbij zij als vogelaars het slik voor Zwartewaal, dat voortaan Roosenburch genoemd zal worden, voor 25 jaar in pacht verwierven onder voorwaarde dat zij 50 gemeten zouden bedijken. 
Toen het termijn verstreken was bleek dat de Vlaardingse vogelaars niet stilgezeten hadden, want er was niet minder dan 110 gemeten en 262 roeden ingedijkt.

Wie waren deze vooruitstrevende vogelaars? Zij behoorden tot een gehele Vlaardingse familie van vogelaars (dit zijn jagers, wildhandelaars, kooikers en, zoals later bleek, ook bouwlieden en veeboeren) te behoren. Dirck Adriaensz werd omstreeks 1540 geboren en overleed na 2 januari 1603; zijn zoon Pieter Dircksz zal omstreeks 1563 geboren zijn en overleed eind 1597. Zij behoorden tot de aanzienlijke burgerij van Vlaardingen; een van de kleinkinderen van Dirck, Arien Pietersz Bisdommer, was te Vlaardingen schatbewaarder en lid van de vroedschap in de jaren 1618-1640, 
diens zoon Pieter was er burgemeester en de zoon van Dirck plaatsvervangend schout. Die aanzienlijkheid blijkt ook uit de verwantschap met Bartholomeus van Bueren, de bekende landrost-generaal die de galeien bij de Nederlandse marine introduceerde en ook kapitein op de Rode Galei van de Admiraliteit op de Maze is geweest.



Willem Pietersz Moerman was de persoon die de polder Blankenburg zijn naam en aanzien heeft gegeven. De polder Blankenburg was gelegen ten oosten van de polder Oud Rozenburg en was daarvan oorspronkelijk door een kreek, het eerder genoemde Sparregat, gescheiden. 
Blankenburg zal mogelijk enkele jaren na Oud Rozenburg ingedijkt zijn. Willem Pieterz Moerman werd geboren in het Vlaamse stadje Blankenberge en staat in het doopregister als Willem Moorman. Zijn ouders namen met hun gezin de vlucht vanuit Sluis naar het toen nog veilige Holland, tijdens de inneming van België door de Spanjaarden in 1587. Willem was toen 14 jaar.

Toen Willem Pietersz Moerman in 1605 in het huwelijk trad met Maritgen Rokusdr, was hij waarschijnlijk woonachtig en werkzaam in Poortugaal. Het trouwboek van deze gemeente bevat namelijk de volgende inschrijving: "Willem Pietersz, van Blankenburgh, met Maritge Rokus, van Hoogvliet, getrouwd in Poortugaal anno 1605". 
Met dit "Blankenburgh" werd echter niet het eiland of de polder van die naam op Rozenburg bedoeld, maar het plaatsje Blankenberge aan de Belgische kust ten noorden van Brugge, waar de bruidegom herkomstig was. 
Waarschijnlijk heeft hij zich direct na zijn huwelijk op de plaats, die later de naam van zijn geboorteplaats zou dragen, gevestigd, en heeft hij daar al zijn woning de naam Blankenburg gegeven, die dan overging op zijn polderland en later ook op het dorp dat zich daarop vormde.

Als het echtpaar op 17 januari 1621 voor notaris Johan Dwinglo te Vlaardingen testeerde, werden zij in hun testament genoemd: ‘Willem Pietersz bouwman ende Maertgen Rochusdr, echteman ende wijff woonende op ’t eylant genaemt Blanckenburch’… Het is een uitvoerig testament, waaruit blijkt, dat de testateuren dan al zeer gegoed waren, want de langstlevende hunner zou aan de kinderen een bedrag van 900 carolus gulden van 40 groten Vlaams (ook ponden genaamd, ter waarde van 20 stuivers) moeten uitkeren; een voor die tijd groot bedrag. 
Kort daarna, wellicht nog in hetzelfde jaar 1621, is Maritgen overleden.

Willem Pietersz Moerman hertrouwde met Neeltje Jansdr en op 3 december 1623 werd uit dit tweede huwelijk in de kerk van Zwartewaal, waarbij Blankenburg kerkelijk behoorde, een zoon Jan gedoopt. 
Willem Pietersz Moerman overleed in 1648, zijn tweede vrouw vermoedelijk kort voor juli 1652. Zoals toen meer gebeurde, liet Willem Pietersz Moerman nog bij zijn leven een rouwbord voor hem en zijn tweede vrouw vervaardigen, voorzien van beiden familiewapen en met zijn levensgeschiedenis op rijm daaronder, bestemd om na zijn dood, voorzien van sterfdatum in de kerk te Zwartewaal te worden opgehangen. Op de cartouche is de herkomst en levensgeschiedenis van Willem Pietersz Moerman geschetst als volgt:

"Aandachtige overdenkinge over mijn wedervaren
in deze bedroevende, lijdende en strijdende weerelt.
Als Spaans freet gespuis heel Vlaanderen gingh kwelle.
Zoo dat geen leeuw hem in ’t freets(t)e mogh aanstelle.
Zoo heeft daarboven nog ons honger zware plage.
Daar bij nog zware pest schiere (g)eslaagde.
Ik die was jong geyaard, moest vluchten door dees nood.
Zogt mijn jeugdig hert te vrije van den dood.
Ik ben in Holland geraakt. God heeft mij hier gegeven.
Bevrijd van straf en nood, genoeg im wel te leven.
Maar (he)laas, mijn gans geslagt is door dees dood verdreven.
Dat nooit een straal daar van in ’t minste is verschenen.
Maar echter zijn geslagt is in ’t licht gebleven.
Mijn stam en afkomst was eertijds genaam Morman:
Dit is ’t meest wat mij hier van heugen kan.
Terweil ik op ’t yland mijn woning nam met zorg.
Zoo kreeg ik hier nogtans de Van: Van Blankenburg.
Maar omdat mijn afkomst niet blijve zou vergeten.
Zoo gaat men mij Moerman van Blankenburg sweven.
In ’s hemels Blankenburg bij God in ewigh leven."

rozenburg