Krabbe-verhalen deel 20

De Krabbe-verhalen deel 20        (door Jan Leendert Willem Breukel 1940-2011)

De tractor, het alternatief voor het paard

"We gaan het hebben het over de Krabbe van omstreeks 1953 en over de tractoren die daar in die tijd rond reden. Er was daar een diversiteit aan tractoren, waarvan alleen het merk Fordson eruit sprong. Van die dingen reden er aanvankelijk vier rond. Ook iets aparts was, dat was volgens mij een of andere religie, dat iedere tractor zijn eigen vaste chauffeur had. Was er, wat soms wel eens gebeurde, de een of andere tractorbestuurder ziek, dan bleef die trekker die dag in de loods achter. Ook hadden die dingen een nummer. Zo hadden we op Fordson no. 1- Leen van Spronsen, op no. 2 - Leen Breukel, op no. 3 - Tobias van Rees. En op no. 4 eerst Cor Vermeulen en later Jaap Lobs. Daarna is de tractor opgeofferd voor het algemeen belang.

Zoals al eerder vermeld, werd de tractor omgebouwd tot loofklapper. Deze was niet functioneel meer voor andere doeleinden. Dat verlies in transportkracht is aangepast door de aanschaf van een nieuwe Fordson major diesel no. 5. Daar kwam Bas Kooy op te rijden. Tot Bas ontslag nam en vertrok. Chauffeur zijn op het nationale transport betaalde beter. Vanaf dat moment kreeg Cor Vermeulen de supervisie over Fordson 5. In de tussentijd werd er toch nog een tractor aangeschaft, een Fordson no. 6, een petroleumstel, ook dus een Blauwe engel. De bestuurder daarvan was Maarten van Goof van Oudenaarden.
Dan reed er ook nog een John Deere, die door zijn hoogte en het gemakkelijk afstellen van het wielspoor veel voor schoffelwerkzaamheden werd gebruikt.

Ook reed er nog een oude Farmall. Die was meer voor algemeen gebruik. Dat wil zeggen dat het ding in tegenstelling tot de andere tractoren geen vaste bestuurder had. Deze tractor werd veelal in het voorjaar gebruikt en dan nog in hoofdzaak voor schoffelwerkzaamheden.
De tractor was niet de allersterkste. Het geschatte aantal pk’s zal in de buurt van de 9 hebben gelegen. Maar het trekkertje beschikte wel over voldoende werkhoogte en dat was met het schoffelen weer van groot belang.
Ooit werden de aanstormende talenten, die het in hun hoofd hadden zitten ook tractorchauffeur te worden, met de Farmall op pad gestuurd. Je moest wel wat wennen aan het ding. Doordat er geen spatborden op zaten, kon je met deze tractor nooit meerijden.
Dus was het na het bevel van de heer Romers: “Pak jij de Farmall maar!”, erop stappen en dan moest je maar zien. Het moeilijke aan het ding waren de remmen.
Bij alle tractoren remde je met je voeten, echter niet bij de Farmall. Dit ding had aan iedere zijde van het stuur een handrem.

De bediening van de remmen was wat moeilijk bereikbaar. De handles waren heel laag aangebracht . Dat heeft de smid, voor mijn tijd al veranderd door deze twee stokjes wat te verlengen met een paar stukjes ijzeren pijp zodat je er toch op een normale manier bij kon komen met je handen.
Maar die remmen, het bleven toch enigszins listige dingen! Maar ja als leerling-tractorchauffeur was deze tractor helemaal niet verkeerd. Voor de jongere was het wel een handig ding om eraan te wennen. Zeker hoe het zijn zou om alleen met de trekker op pad te gaan.
Zodat ze al een beetje het idee kregen hoe ze later op de grote tractoren zouden komen te zitten. Ook om al een beetje het gevoel te krijgen wat er van hen werd verlangd. Denk erom dat de grote tractoren enorm zwaar stuurden. Stuurbekrachtiging was op de Krabbe niet aanwezig. Het was sleuren aan het stuur met je magere armpjes. Vandaar dus eerst maar eens met de driewieler de polder in, een nuttig leerproces
En ik spreek uit ervaring! Trots als een pauw wanneer je met de driewieler op weg gestuurd werd. Een van mijn grootste problemen van de Farmall was het starten. Want ondanks de fijnafstelling van Korres geef ik je het te doen om met je 15e jaar zo’n pruttelpot aan de gang te slingeren. Helaas was de startmotor voor deze tractor nog niet uitgevonden.

De startprocedure werkte als volgt: Starten op benzine. Als je het apparaat aan de praat kreeg en de motor werd een beetje warm dan zette je de kraantjes om van benzine naar petroleum. Op dat moment kon je maar raak rijden. Eigenlijk was het aanslingeren mijn grootste probleem.

Ik was er al snel achter, dat als je de motor van de Farmall stop zette, het wel zaak was er voor te zorgen dat je dat deed in de buurt van iemand met wat meer kracht in zijn handen dan jij. Wat mij nog heel goed in het geheugen ligt, is de hulp die ik heel vaak van Tobias van Rees heb gekregen. Tobias was een man die de slinger van het trekkertje met hetzelfde gemak in het rond draaide als dat hij de wekker op wond die op zijn nachtkasje stond. Maar de man was dan ook 203 cm lang en zijn gewicht zal in de buurt van de 125 à 150 kg hebben gelegen. Het was dus beter de man vóór als tegen je te hebben.
Soms als hij je bij je arm pakte, was je niet echt gelukkig. Gelukkig kneep hij niet door. Die ingehouden kracht van de oermens zal zeker verband hebben gehad met de grootte van zijn vrouw. En ze zeggen wel eens ‘Geen potje zo scheef of er past wel een deksel op’. Dat was zeker van toepassing op Tobias.

Zo groot als de man was zo klein was zijn vrouw Jaantje, de dochter van Jan Voorberg. We gaan weer verder met de echte tractoren. Ford werd naar de kroon gestoken door 4 Deutz tractoren. Twee grote exemplaren van, ik dacht, 28 pk en twee kleintjes van 15 pk. Deze tractoren werden aangeschaft in de tijd dat de Grasdrogerij van start ging. Thijs Heerschap en Henk Land reden op de grotere types die het wegtransport voor hun rekening namen. Voor Henk Land heeft Bas Kooy nog een jaar met de Deutz gereden.
De kleinere types waren uitgerust met maaibalken en deden niet veel anders dan met grote snelheid het gras maaien.

Toen de vier Deutz tractoren gearriveerd waren, was Han van Eekelen, de oudste zoon van de voormalige paardenknecht Jan van Eekelen, de eerste bestuurder van een grote Deutz tractor. Han was ingedeeld bij het transporteren van het gemaaide gras en de luzerne richting de Grasdrogerij.
Dat gras werd vervoerd in de daarvoor speciaal verbouwde en aangepaste landbouwwagens van het merk Spijkstaal. Dat wil zeggen dat er een dichte kap op zat van ongeveer 3 meter hoog. Die was op een brede gleuf aan de voorzijde na, helemaal dicht. Het gemaaide gras werd met een apparaat opgeraapt, gehakseld, en vervolgens in de wagen geblazen. Hetzelfde systeem wat je nu nog ziet als ze de maïsvelden gaan oogsten.
Eenmaal gearriveerd op de Grasdrogerij werd er aan de zijkant een brede klap open getrokken en werd het gras er handmatig uit gesleurd. Het ging daarna via een ondergronds systeem de fabriek in voor het fijn maken en drogen.

Maar we hadden het over Han, Han die deze week een fijne week in het vooruitzicht had. Het was 4 juni 1951. 5 juni ging er een zuster van hem trouwen en de dag erna op 6 juni trouwde de broer van zijn meisje, Henk Bergwerff. Dus Han zat toch met een enigszins luchtige stemming op de splinternieuwe Deutz tractor en reed met zijn hoge volgeladen wagen met gras richting de Grasdrogerij. Hij zal net zo’n beetje halverwege de stortdijk zijn geweest richting de Looi, toen het noodlot toesloeg. Voor hij het goed en wel besefte ging hij van het ene op het andere moment met de hele handel van de dijk af.

Al duikelende kwam hij onder de tractor terecht waar hij met een been klem kwam te zitten.
Met de nodige hulp en ondersteuning hebben ze hem er onder vandaan gekregen, maar hij was toch behoorlijk beschadigd. Of de blessures van dien aard waren dat hij bij de bruiloften nog aanwezig kon zijn, zou ik niet weten. Wel weet ik dat hij er geen nadelige gevolgen van heeft ondervonden.

Hoe kan dat nou, je rijdt toch maar niet zo van de dijk?
Toch komt de vraag dan op, want er werd wat afgekletst: “Hoe kan dat nou, je rijdt toch maar niet zo van de dijk?” De zaak moest wel worden uitgezocht. Na het onderzoek kwam dan ook te vast te staan dat Han geen enkele blaam trof. Het had met de techniek van de besturing te maken. Het was een stuurstang. Dat is de stang die er voor zorgt dat de beide voorwielen netjes aan elkaar zijn verbonden. Deze stang was uit het kogelgewricht geschoten met als gevolg al deze beschreven ellende.

Vrij vertaald, is wat er gebeurde het volgende: Op het moment dat de wielen niet meer met elkaar zijn verbonden, kunnen ze beide alle kanten op, als bestuurder heb je dan niets meer te vertellen.
Dan komt er nog eens bij dat dit type tractor een voor die tijd behoorlijke snelheid kon ontwikkelen.
Het is dan ook niet zo moeilijk om één en één bij elkaar op te tellen. Als het fout gaat, gaat het ook gelijk goed fout! Maar laten we stellen dat Han met de Crash (redelijk) goed is weggekomen.


Han van Eekelen met een Deutz trekker

Ik denk dat het Han zijn laatste ritje is geweest op de Deutz en dat Henk Land het toen over heeft genomen. Het was in de tijd dat er nogal eens een nieuwe tractor werd aangeschaft. Deze keer was er gekozen voor een nieuwe Lanz Buldog. Een wieltractor.
De chauffeurs van de maaitrekkertjes waren Teun van Dam en Bas Kooy, maar Bas is er na één seizoen weer mee gestopt. Hij vond het werk te saai en te eentonig.
Ja, dat was wat zo’n Lanz Buldog. Het was toch wel een zeer bijzondere tractor. Het ding werd bestuurd door Han van Eekelen. Han was de oudste zoon van Jan van Eekelen Sr., een man die vele jaren werkzaam was geweest als paardenknecht op de Noordbank in dienst van de Landverbetering. Zoon Han heeft toen het stokje van zijn vader overgenomen. Weliswaar geen paardenknecht in de zin van met een of twee paarden werkzaamheden verrichten. Han die hield ervan een stuk of 35 van die paardenkrachten onder de motorkap van zijn trekker onder controle te houden.
Was er eerder een Lanz Buldog rupstractor. Die is na enig overleg ingeruild voor een Lanz Buldog wieltrekker. De Lanz werd over het algemeen ingezet voor de zwaardere klussen, zoals in de oogsttijd het maaien en dorsen, de zgn. "combine", met de Thermenius combine. Van dit type hadden we er twee rondrijden. De tweede tractor die we hadden voor dat zware werk was de Perkins-diesel, voor die tijd met zijn 45 pk een beul van een tractor. Dit waren beide watergekoelde dieseltractoren.

Ook het ploegen in het najaar gebeurde altijd met deze twee tractoren. Met uitzondering van de Jantjes polder en de Noordbank. Dat was een ander verhaal. Voor het ploegen daarvan waren de tractoren speciaal uitgerust. Was de Perkins-diesel normaal uitgerust met extra brede banden, zo niet met het ploegen. Een brede band werd vervangen door een smalle, dat was het bandwiel wat door de vore reed. In de brede band werd wat water gedaan voor iets meer grip. Nu moet ik een en ander even uitleggen. Tegenwoordig is het allemaal ‘wentelploegen’ wat de klok slaat en tot wel 6 scharen aan toe. En allemaal tractoren met als extra een voorwielaandrijving. Maar in die tijd was dat even anders. Toen hadden we rondgaande ploegen en zoals het woord zegt, betekende dat in de rondte ploegen. Het was zaak dat je precies het midden uitzette van het blok land of polder of hoe dat je het ook gaat noemen.
Want als je oneven uitkwam d.w.z. als je aan de ene kant al bijna de slootkant had bereikt en aan de andere kant nog iets van een meter of veertig had liggen dan had je een probleem. Want dan moest je na iedere vore die je had gedaan weer achteruit rijden en dat net zolang tot je aan beide zijden evenveel over hield. Het was dus echt een zaak van goed meten, want het is niet leuk dat achteruit rijden.
Maar wat denk je wat een figuur sloeg als de baas toevallig even langs kwam. Nee, gewoon goed meten en je had geen enkel probleem.
En dan onze ploegen. Het waren wel ploegen met drie scharen, maar de Krabbe polders hadden een behoorlijk zware kleilaag dus was het al vrij snel terug naar twee scharen. Alleen de buitenpolders, dat was andere koek. Hier had je met grond te maken die door jarenlange rietcultuur zich zo mooi had gevormd dat het werken op en met dat land een groot plezier was. Dat was dus grond wat na jaren van rietcultuur naar landbouwgrond was hervormd.

Dat was wel zulke mooie grond! Ik denk dat daar de Perkins-diesel van Piet Kraaijeveld wel een vierschaar doorheen had gesleurd. Later werd er ook met de Fordson Majordiesels geploegd. Ook dat waren tractoren die wel wat aan konden.
Het voordeel van deze tractoren was dat ze en heel lage gearing hadden waardoor je veel toeren met de motor kon maken zonder snel te rijden. Dat was wel iets geweldigs, een doordraaiende aftak as. Trapte je voorheen de koppeling in dan stopte de tractor en het apparaat dat was aangesloten via een aftak as ook direct. Dat werd toen ineens heel anders. Trapte je nu de koppeling voor de helft in, dan stopte de tractor maar het aangedreven apparaat draaide gewoon door. Men vond het prachtig. Wat ik ook niet mag vergeten is de vrachtwagen, een mooie Bedford. Een vrachtwagen die in de zomer niet was weg te denken. De Bedford reed de hele dag, als de combines draaiden, achter deze dingen aan, al het gedorste graan in een sneltreinvaart afvoerend. Vracht na vracht ging alles de graanschuur in.
Wim Kraaijeveld, de broer van Piet, was de vaste bestuurder van de Bedford vrachtauto. Vervangende bestuurders waren Ai Korres en Frans Romers en verder kwam er niemand aan dat ding.
Ik weet nog dat we in de winter van ‘56 met diverse knechts naar Den Briel gingen voor de een of andere cursus. Het vroor die avond zo hard dat de motor zo vast stond als een huis. Alles was vast gevroren. Er zat niets anders op dan te wandelen. Dan maar met de benenwagen naar huis, wat nog een hele wandeling was vanaf het café van Jan Dedert. Maar één ding was een pré, je liep niet alleen. We waren met een vrachtwagen vol lotgenoten gekomen en we gingen met de wandelclub naar huis, naar de Krabbe. Koud? Ik zou het niet meer weten.

De andere dag is de Bedford opgehaald en bij Korres in de werkplaats neergezet. De snor kon aan het werk. Maar binnen een week had hij het ding toch weer aan het rijden. Het was een nacht dat het in het oosten van het land, meer dan 20 graden onder nul was. Ik vind dit wel erg koud en ga dus maar weer snel terug naar de zomer.
Dan hadden we dus ook nog een John Deere tractor. Dit ding werd altijd door Leen Mol bestuurd. Toen het dorsen met de ouderwetse dorsmachine helemaal over was en de combines de zaak hadden overgenomen van de statische Dorskasten, werd er ook een pakkenpers aangeschaft van het merk New Holland. We hadden er nog nooit van gehoord. Maar dat ding was voorbestemd om achter de John Deere te worden gehangen. Achter de pers werd een Spijkstaal wagen gekoppeld. Van die wagens waren er 10 stuks aangeschaft. Op de pers zat een goot waardoor de pakken omhoog werden gedrukt. Dan stonden er twee man op de wagen om die stroom pakken die omhoog geduwd werden een net plaatsje op de wagen te geven.

Wordt vervolgd.

rozenburg